De eerste aanvalsgolf

HET 1ste bataljon VAN HET 116de Infanterieregiment voer in groepen LCAs richting strand. Elke LCA werd bestuurd door een Britse stuurman vanuit een stuurhut die was voorzien van dunne pantserbekleding. Luitenant-ter-zee 2de klasse Jimmy Green stond vlak naast zijn stuurman in LCA 910. 'De stuurman stond door middel van een spreekbuis in verbinding met de stookplaats, waar een stoker twee krachtige benzinemotoren bediende. De stoker moest een klein en uitermate lenig persoon zijn om via een klein gat op het achterdek bij de stookplaats te komen. Er waren nog twee andere bemanningsleden, een op het voordek en een op het achterdek, een om de boot van het moederschip los te maken en de ander om de klep van het landings­vaartuig naar beneden te laten en het anker te bedienen.
Green had het bevel gekregen radiostilte te betrachten tot hij kapi­tein Fellers en zijn bootteam aan wal had gebracht. Terwijl zijn kleine vloot zich formeerde, keek hij op zijn horloge. H-Hour voor Compag­nie A was om 6:36 uur in de ochtend; hij had nog iets meer dan twee uur om bij Omaha Beach te komen.
De rechtstreekse route naar het strand telde zo'n 20 kilometer, maar Green moest een 'diagonale koers' varen, waardoor de totale reis dichter bij de 35 kilometer uitkwam. De LCA's voeren bij goed weer met een snelheid van ongeveer 10 knopen per uur, maar de zee was -zo mogelijk - nog ruwer dan op de dag dat Eisenhower de invasie had uitgesteld. Niettemin had Green het volste vertrouwen dat hij Com­pagnie A tijdig op Omaha zou kunnen afzetten.
Green beval de zes boten van Compagnie A om het strand in twee rijen van drie vaartuigen te benaderen. Telkens wanneer hij over zijn schouder keek, zag hij Fellers en zijn mannen in een gespannen, mistroostige stilte zitten. 'Het waren nog maar jongens, sympathieke gezonde plattelandsjongens. Ze zagen eruit als aardige knullen die een boottochtje over de baai maakten. De rest van de (Britse) zeelieden in onze vloot vond zichzelf ook een aardig stel. Maar het leken zeker geen leden van een stormtroep, elk beladen met zo'n dertig kilo aan uit­rusting.
De twee rijen van drie boten ploeterden voort. Green hield zijn blik gefixeerd op een begeleidingsvaartuig dat hem en zijn landings­vaartuigen richting Frankrijk moest begeleiden. Zolang Compagnie A het begeleidingsvaartuig volgde, zouden ze perfect op koers blijven. Green had een rondleiding op de boot gehad en was onder de indruk geweest van de ultramoderne navigatie-instrumenten, waaronder een van de eerste radarsystemen: 'een geweldig instrument dat zelfs de contouren van land toonde.'
Op acht kilometer van Frankrijk maakte het begeleidingsvaartuig zich los van de vloot, overseinend: Jullie zitten op de goede koers. Daar is het.' Compagnie A stond er alleen voor. Green controleerde zijn koers terwijl de vloot voorwaarts ploegde, bokkend in de golven, terwijl de mannen onderhand in papieren zakjes en zelfs in hun helmen stonden te kotsen.
Plotseling trof Green een groepje LCT's [Landing Craft Tanks] die tanks vervoerden met bestemming Omaha Beach. In het onstuimi­ge zeewater kwamen ze amper vooruit.
'Wat doen die hier?' vroeg Green.
'Die horen voor ons aan wal te gaan,' reageerde Fellers.
'Maar ze halen halfzeven niet op deze manier,' zei Green. 'Ik denk dat we voor hen uit moeten gaan. Is dat goed?'
'Ja. We moeten op tijd aankomen.'
De tanks werden verondersteld voorop te gaan in de eerste aan­valsgolf richting strand en waren essentieel voor het breken van de verdediging en het dekking bieden aan Compagnie A: de mannen kon­den achter de tanks schuilen terwijl ze oprukten en de Duitse posities beschoten. Zonder de tanks zou Compagnie A alleen dekking kunnen vinden in de kraters die door lucht- en marinebombardementen op het strand waren veroorzaakt.
In de verte ontdekte Green iets wat op land leek. Een paar minu­ten later begon Omaha Beach vorm te krijgen. In het donker leek het getijdenwater aan het strand even onverzoenlijk als de golven in Het Kanaal. Compagnie A kruiste nog altijd in twee rijen van drie voor­waarts. Het kwam bij Green op dat de legendarische Britse admiraal Horatio Nelson dezelfde formatie had gebruikt in de slag bij Trafalgar in 1805, de grootste zeeslag van de Napoleonistische Oorlogen.
Achttien kilometer uit de kust slingerde en deinde een troepenschip met de tweede golf van de 29ste Divisie, de USS Charles Carroll, hevig op en neer in de hoge golven. Kolonel Charles Canham en brigadegeneraal Norman Cota daalden moeizaam langs een vrachtnet, dat over de zijkant van de boot was geworpen, af en gingen aan boord van LCVP 71 (Landing Craft, Vehicles & Persornel). Volgens de plan­ning moesten ze om 7:30 uur op Dog White aankomen, enkele hon­derden meters ten oosten van de Vierville-sur-Mer-uitvalsweg.
Toen ze op zo'n vijf kilometer van het strand waren, hoorde Com­pagnie A een enorme explosie. De mannen keken naar rechts, in weste­lijke richting. Het slagschip Texas vuurde schoten af op Omaha Beach; toen de gigantische 35cm-kanonnen losbarstten, dreigden de golven over het dek te slaan. Intussen hadden zwaar zeezieke mannen, onder wie John Schenk, amper meer de kracht om hun helmen te legen. Sommigen waren van uitputting in elkaar gezakt.
Even na 6:00 uur gluurde luitenant Ray Nance door een smalle gleuf in de boeg van zijn LCA. Een rooksluier hing als een regenwolk boven het strand en onttrok de diverse hoge oevers aan het zicht. Nance sloot de gleuf af en hield zijn hoofd gebukt. Op een metertje afstand van Nance deed John Clifton zijn uiterste best om de radio weer aan de praat te krijgen. De antenne was er op de woelige zee afge­knapt. Moest hij het apparaat achterlaten? Nance droeg hem op het toestel mee te nemen, zodat ze hem later op het strand konden repa­reren. Zonder radio's was er weinig kans dat ze de eerste commando­post van Compagnie A zouden kunnen inrichten. Clifton tilde het defecte radiotoestel op zijn schouder. Hospik Cecil Breeden, 1,77 meter lang, 90 kilo zwaar en voorzien van grove gelaatstrekken, zat in de buurt. Er stond een rood kruis op een armband en op een canvas schoudertas die was volgepropt met medische spullen.
In LCA 911 zag Roy Stevens een salvo aan raketten overvliegen. 'Kijk maar goed!' schreeuwde iemand. 'Dit wil je later aan je klein­kinderen vertellen!' Tuurlijk, als we het halen, dacht John Bames.
'Het was een fraaie vuurwerkshow,' herinnerde Jimmy Green zich. 'De raketten vlogen de lucht in en kwamen vervolgens met een boog in zee terecht, zo ongeveer op anderhalve kilometer van de kust, ver van het vasteland. Ze vermoordden een enkele vis maar dat was het wel zo ongeveer. Ik was woest. Waren ze dat hele eind gekomen om mis te schieten. Doing, doing! B

Dog Beach


kapitein fellers LAG met zijn bemanning op ongeveer 250 meter afstand van de D-1 uitvalsweg naar Vlerville. Jimmy Green was niet in staat geweest dekking te geven, omdat zijn landingsvaartuig te sterk had gedeind op de ruwe zee. Er zat maar één ding op: ze moesten rennen naar de dichtstbijzijnde schuilplaats, ervoor wakend dat ze niet te veel in groepjes bewogen om het aantal gewonden te minimaliseren.
Over de gehele lengte van de kliffen boven Omaha Beach lagen veteranen van de Duitse 352ste Divisie te wachten. Ze waren de afge­lopen weken het gebied binnengetrokken om de minderwaardige 716de  Divisie af te lossen. Het waren twee regimenten die totaal bijna twee­duizend manschappen telden.
Naarmate Fellers en zijn mannen verder oprukten, bevalen de Duitse officieren hun mannen eindelijk om te gaan schieten. Boven de uitvalsweg naar Vierville opende de 352ste Divisie het vuur met ten minste drie MG-42 mitrailleurs, die meer dan 1000 patronen per minuut afschoten, en verscheidene mortieren. Ruim 20 sluipschutters lagen op de loer in de nabijgelegen loopgraven. De slachtpartij verliep snel en meedogenloos. Fellers en zijn 29 bemanningsleden stierven binnen enkele minuten, doorzeefd door kogels van machinegeweren uit verschillende richtingen.
Er bestaat geen nauwkeurige lijst van het scheepsdienstrooster voor Compagnie A op D-Day. Dat ging wellicht samen met veel ande­re papieren verloren in de chaos en het bloedbad vlak na H-Hour. Maar verondersteld wordt dat de volgende Bedford boys tot de man­nen behoorden die op slechts enkele meters afstand van hun kapitein sneuvelden: de 22-jarige sergeant Dickie Abbott; de 26-jarige Clifton Lee, een verlegen maar zeer patriottische soldaat wiens sterk gekrom­de wenkbrauwen erg opvielen in zijn bleke gelaat; de 23-jarige Gordon Henry White jr., die droomde van zijn moeders kookkunst; de goedgemanierde zuidelijke 'heer' Nick Gillaspie en de uitblinkende dobbe­laar Wallace 'Snake Eves' Carter.
Op minder dan vijftig meter afstand was een andere LCA ook op het strand aangekomen. Aan boord ervan bevonden zich George Roach, Thomas Valance, Gil Murdock en de Bedford-inwoners Dickie Overstreet en sergeant-majoor John Wilkes. 'We gaan de klep neerlaten en zodra we dat doen, sprinten we naar buiten,' schreeuwde een Britse boegman, 'dus jullie kunnen maar beter in de startblokken staan.'
De klep sloeg met een klap op de branding en vervolgens zwaaide de metalen landingsklep open. Luitenant Alfred Anderson stapte naar buiten, op de voet gevolgd door Valance en enkele seconden later door Roach en Wilkes. Onmiddellijk begonnen de Duitsers zich in te schie­ten. De mannen vielen alle kanten op, werden willekeurig neergeknald, terwijl anderen wonderbaarlijk genoeg ongedeerd verder wankelden door een regen van kogels en granaatscherven.
John Wilkes was een van de weinigen die erin slaagde om uit het ondiepe water en op het strand te komen, waar hij en George Roach begonnen te schieten in de richting van de basis van de D-1 uitvalsweg laar Vierville. Noch Wilkes, noch Roach had al een Duitser ontdekt.
'Waar schiet je op?' vroeg Wilkes.
'Ik weet het niet,' antwoordde Roach. Ik weet niet waarop ik schiet.'
Wilkes en Roach zagen luitenant Anderson, dertig meter voor hen. Hij gebaarde naar hen dat ze hem moesten volgen over het strand. Plotseling sloeg Roach tegen de grond. Het volgende moment voelde hij de zee tegen zijn hakken klotsen. Anderson en Wilkes waren ner­gens te bekennen. Volgens sommige ooggetuigen werd Anderson in tweeën gereten door een mitrailleur. Vermoed wordt dat sergeant-majoor John Wilkes neergeschoten werd en sneuvelde terwijl hij zijn Ml-Garand geweer afvuurde op de verdedigingswerken aan de voet van de D-1 uitvalsweg.
Dickie Overstreet wist het strand eveneens te bereiken. Hij had zijn vlammenwerper achtergelaten en het geweer van een dode gepakt toen hij de wal op waadde. Hij zocht vervolgens dekking achter een van twee Amerikaanse tanks die aan de voet van de D-1 uitvalsweg waren afgezet. Ineens kreeg de tank de volle lading, mogelijk van een mortier. Overstreet realiseerde zich dat de Duitsers het vuur richtten op elke plek waar zich soldaten groepeerden - achter uitgebrande landings­vaartuigen en lamgelegde voertuigen -, wetend dat er hele pelotons konden schuilen, verlamd door schrik en paniek. De munitie in de tank begon te exploderen. Overstreet rende weg om dekking te zoeken. 'Ik stond op en begon kriskras over het strand te rennen,' herinnerde hij zich. 'Toen werd ik geraakt.'
Mitrailleurkogels verwondden Overstreet in de maagstreek en zijn been, maar hij wist uiteindelijk een veilig heenkomen te vinden achter de zeewering die langs de bovenzijde van sector Dog Green, toegewe­zen aan het 1ste  Bataljon, liep. 'Ik riep om eerste hulp,' herinnerde Over­street zich. 'En eindelijk kwam er iemand naar me toe. Hij was zo ner­veus dat hij zijn EHBO-trommel niet open kon krijgen. Dat moest ik zelf doen.' Overstreet zou tot 4:30 uur op 7 juni achter de zeewering lig­gen, toen hij eindelijk naar een hospitaalschip werd gebracht dat hem naar Engeland vervoerde, waar hij zes weken moest blijven om te gene­zen van diverse kogelwonden. 'Hij wilde niet met mij over de oorlog praten toen hij eenmaal thuis was,' wist zijn zus Beulah Witt zich te her­inneren. 'Hij hield de rest van zijn leven ernstige maagproblemen.'
Bootgenoot Gil Murdock was weggezakt in tweeënhalf meter diep water in een van de vele getijdengeulen op Omaha Beach en moest ver­volgens vechten om weer aan de oppervlakte te komen, zwaarbeladen met uitrusting en al. Hij drukte hard op de CO2-buisjes van zijn Mae West en vulde zelfs zijn gasmasker met lucht in een poging zich drij­vende te houden. Uiteindelijk kwam hij snakkend naar adem boven water. Murdock was inmiddels op een zandbank beland en kroop het strand op. Er lagen twee gewonde mannen die niet meer in staat waren een mortier te bedienen. Een sergeant beval Murdock om het wapen te hanteren. Murdock kreeg het mortier in handen en vuurde enkele schoten af, die echter niet explodeerden.
'Murdock, stomme idioot,' schreeuwde de sergeant, 'je vergeet aan de slagpen te trekken!'
Murdock wist vervolgens toch enkele schoten af te vuren die wel explodeerden en begon toen naar de zeewering te kruipen. Hij pro­beerde met zijn geweer te schieten, maar dat zat vol nat zand. Toen kwam hij een soldaat met een gapende armwond tegen. De soldaat vroeg hem om een morfine-injectie. Murdock diende die toe, wenste hem veel sterkte en kroop verder, deze keer in de richting van een anti-tankversperring. Murdock trof er twee mannen aan die ook dekking hadden gezocht achter het obstakel. Het leek pure zelfmoord om ver­der op te rukken, maar blijven waar ze nu zaten was amper minder ris­kant: de mannen werden nu stuk voor stuk neergemaaid door een pelo­ton scherpschutters boven op de kliffen.
Ineens zag Murdock dat George Roach naar hen toe kwam krui­pen.
'Wat is er gebeurd?' vroeg Roach.
Het leek erop dat alle officieren van Compagnie A waren gesneu­veld en alle sergeanten dood of gewond waren.
Ze probeerden op adem te komen. Plotsklaps werden er lichtspoorkogels op hen afgevuurd: een Duitse soldaat met een mitrailleur had hen ontdekt. Gelukkig knapten de lichtspoorkogels boven hun hoofden uit elkaar. Om de paar seconden ontplofte er een op niet meer dan een halve meter boven hun hoofd. Murdock begreep niet waarom de Duitser zijn machinegeweer niet lager richtte. Toen keek hij op en zag het doelwit van de Duitser: een antitankmijn die was bevestigd aan de versperring. Een voltreffer zou alles binnen enkele meters aan stuk­ken opblazen.
Ze moesten maken dat ze wegkwamen, dacht Murdock, voor die Duitser in de roos schoot. Toen het groepje de versperring achterliet, viel het Murdock op dat het linkerbeen van een van de soldaten was doordrenkt met bloed. 'Je bent geraakt!' schreeuwde hij.
Halve zool,' reageerde de soldaat. 'Jij toch ook!' Murdoch keek naar beneden. Twee mitrailleurkogels hadden zijn een doorboord en waren in zijn rechterenkel blijven steken.  'Hoor eens, ik ben een goede zwemmer en jij bent niet zo zwaar gewond,' zei Roach. 'Laat me je naar die onschadelijk gemaakte tank ginds in het water brengen.'
Murdock bewaarde een foto van zijn verloofde in de bekleding van zijn helm. Hij staarde ernaar. Roach greep de helm en smeet die kwaad weg.
We gaan.'
Roach ondersteunde Murdock terwijl ze de zee in zwommen. Uit­eindelijk kwamen ze bij de uitgeschakelde tank aan. Een paar meter verderop dobberden de hoofden van drie mannen op en neer. Ze keken beter. Het was de bemanning van de tank, hun gezichten verminkt door brandwonden die waren veroorzaakt door buskruit.
De tankcommandant zat achter de geschutskoepel. Hij miste zijn linkerbeen vanaf de knie. Zijn scheenbeen bungelde in het water. Zijn mannen waren nutteloos; ze wilden geen bevelen uitvoeren. Konden ze hem misschien een morfinespuit geven?
Murdock klom de geschutskoepel in, vond een eerstehulpset, haal­de er wat morfine uit en gaf de commandant een injectie.
De commandant zei dat hij naar het strand wilde, daar zou het vei­liger zijn. Murdock en Roach waren het niet met hem eens. Maar de commandant stond erop. Uiteindelijk wist hij zijn mannen over te halen om te doen wat hij hun opdroeg. Ze hielpen hem het water in en ze begonnen in een groepje naar het strand te zwemmen. Het werd hoogwater.
Murdock keek toe hoe ze dichter bij de kust kwamen. Ineens wer­den ze echter door de stroming gegrepen, die hen naar het oosten en vervolgens onder water zoog.
Murdock en Roach zaten in hun uppie op de tank. In de nabije omgeving kwamen granaten naar beneden. Om de situatie erger te maken, begon de opkomende vloed de tank te overspoelen. Weldra stonden ze achter de geschutskoepel en even later er bovenop om te voorkomen dat ze zouden verdrinken.
Roach stond erop naar een landingsvaartuig te zwemmen. Mur­dock schudde hem de hand, wenste hem veel succes en bedankte hem dat hij hem van het strand had gehaald. Hij zag Roach met verwoede bewegingen wegzwemmen en verloor hem daarna uit het oog. Mur­dock zou binnen afzienbare tijd worden opgepikt door een landings­vaartuig van een latere aanvalsgolf. Roach zou ook worden gered, door een controlevaartuig van het leger, en overleefde de oorlog eveneens.
Ergens tussen de zandbanken ploeterde hun bootgenoot sergeant Thomas Valance ineengedoken door kniediep water, zijn blik strak gericht op de kliffen. Hij zag geen enkele Duitser. Maar de vijand was er wel degelijk, verborgen in bunkers en loopgraven over de gehele lengte van de kliffen. Het knetterde van de kogels in de lucht. Het leek of Compagnie A de verkeerde kant van een schietbaan op was gelopen. Plotseling werden lichtspoorkogels afgevuurd vanuit de bunker aan de voet van de D-1 uitvalsweg. Die was dus toch niet onschadelijk gemaakt door het spervuur van de marine. De opening van de bunker lag op het oosten, waardoor de soldaten met mitrailleurs uitzicht hadden op het gehele Dog Green-gebied, inclusief de mond van de D-1 uitvalsweg.
Valance schoot in de richting van de bunker en verschillende strandhuisjes werden in rook gehuld. Ook die hadden platgelegd moe­ten zijn door de Amerikaanse bommenwerpers. Overal om Valance heen lagen Bedford boys op sterven. Op sommige plekken was het zeewater rood gekleurd. Valance moest moeite doen om zijn evenwicht te bewaren. Terwijl hij zijn uitrusting en doorweekte bepakking afwierp, doorboorde een kogel zijn knokkel, maar hij vloog er via zijn handpalm weer uit. Valance voelde niet meer dan een kleine steek, maar de adre­naline joeg door zijn lichaam toen het bloed uit de wond spoot.
Even verderop lag soldaat Henry G. Witt in de branding en hij rolde zich naar Valance toe. 'Sergeant’ riep hij wanhopig. 'Ze laten ons hier als ratten sterven. Als ratten sterven we.' Valance voelde zich niet in de steek gelaten. Hij was vastbesloten om het water te verlaten, voorwaarts te gaan en dekking te zoeken om vervolgens de doelen van Compagnie A te verwezenlijken, ongeacht de omstandigheden. Ze hadden nog altijd een plicht te vervullen.
Valance kroop in de richting van de zeewering aan de westkant van het strand, waar hij uiteindelijk instortte terwijl het bloed uit meerde­re kogelwonden stroomde. Hij zou er de rest van de dag blijven liggen, samen met een klein groepje andere overlevenden uit Compagnie A die zwaargewond waren.
In de ondiepe plaatsen van de zee hadden enkele tientallen mannen uit Compagnie A die nog in leven waren het erg zwaar in hun pogingen te blijven drijven en zich voort te bewegen zonder blootge­steld te worden aan de vernietigende salvo's van de vijand. De slimsten onder hen bleven helemaal onder water en hielden alleen hun neusga­ten boven water, zodat ze konden ademhalen. Inmiddels schoten de Duitsers op alles wat op een lichaam leek, de hoofden en buiken van gewonden aan gruzelementen schietend en grote delen van het strand m een bloedig slachthuis veranderend.
Tegen 6:45 uur had de eerste golf van schepen Compagnie A op het strand afgezet en zich teruggetrokken.
De volgende golf die de kust naderde omvatte een LCA waarop luitenant Rav Nance en zeventien andere militairen van het hoofdkwartier zich bevonden, onder wie hospik Cecil Breeden en de uit Bedford afkomstige jongens John Reynolds en John Clifton. Ze kwamen exact volgens de planning aan, negentien minuten na de rest van Com­pagnie A.
Het vaartuig van Nance liep vast. De Britse boegman die zich op een halve meter rechts van Nance bevond in een stalen compartiment aan de voorkant van het vaartuig, trok aan een hendel waarmee hij de klep kon laten zakken. De klep ging naar beneden, maar bleef toen ste­ken. 'Laat neer dat ding!' schreeuwde Nance.
De boegman rukte keer op keer aan de hendel. Uiteindelijk ging de klep naar beneden. Nance schopte ertegenaan.
'Neem ze te grazen, mannen,' riep de boegman.
Nance nam de klep in twee passen en sprong in het water. Een golf kwam hem tegemoet en overspoelde hem zowat. Hij begon vooruit te waden, met zijn geweer boven zijn hoofd, terwijl zijn natte bepakking hem naar beneden zoog. Het volgende dat hij zich kon herinneren, was dat hij opgerold op het koude zand lag. Nance keek om zich heen. Hij zag geen van de andere mannen van Compagnie A. Hij voelde zich vre­selijk geïsoleerd, maar probeerde niettemin verder te kruipen over het strand. Al gauw kreeg hij in de gaten wat er met Compagnie A was gebeurd: her en der op het strand en in klotsende groepjes bij elkaar in de branding lagen lijken.
Het volgende moment was hij niet meer alleen. In zijn buurt ver­schenen meer mannen. Aan zijn rechterhand een van zijn koeriers, aan zijn linkerhand, zijn radiobediende, John Clifton - de Casanova van Compagnie A - die, met zijn radio nog altijd op de rug gebonden, vooruit kroop. De radio was onbruikbaar en het maakte de man tot een makkelijk doel. Hij moest het ding snel zien te dumpen, dacht Nance.
'Blijf in beweging, blijf in beweging,' schreeuwde Nance.
'Ik ben geraakt,' schreeuwde Clifton terug.
'Kun je je bewegen?' vroeg Nance.
Clifton gaf geen antwoord.
Nance dook weg en keek toen weer op. Clifton was verdwenen.
Nance zag vier andere mannen weggedoken achter een stalen tankobstakel. 'Verspreiden!' schreeuwde Nance. De woorden hadden zijn mond amper verlaten toen er weer mortierschoten opklonken, die drie van de mannen doodde en de vierde ernstig verwondde.
Nance zag nergens een Duitser. Hij vuurde een paar schoten af in de richting van de kliffen, maar opnieuw explodeerde er een mortiergranaat vlakbij. Een granaatscherf blies een stukje uit zijn geweer, op slechts enkele centimeters van zijn gezicht. 'De Duitsers waren zo verdomd nauwkeurig met die dingen,' herinnerde Nance zich, 'ze konden een kogel in je achterste broekzak doen belanden als ze je eenmaal in de smiezen kregen.'
Lichtspoorkogels spurtten richting Nance, deden het zand opstui­ven en ketsten af op de stenen, het strand met kogels doorzevend. De Duitsers hadden hem ontdekt en namen hem onder vuur. Opnieuw ratelde het machinegeweer. Hij was beslist hun doelwit. Het vuur kwam vanuit een bunker iets rechts van de uitvalsweg, halverwege de kliffen.
Nance ging zo liggen dat hij zich recht tegenover het machinegeweer bevond, waardoor hij een moeilijker doelwit werd. Als hij dan toch geraakt zou worden, was het snel voorbij - met één schot in het hoofd. Hij keek naar zijn geweer: dat was nutteloos. Er was nat zand in het mechanisme terechtgekomen.
Nance hield zijn adem in toen het geluid van kogels luider werd. Zijn lichaam begon uit doodsangst te trillen. Weer een salvo van kogels. Hij keek naar rechts: een schutter van Compagnie A was opge­staan en sprintte weg in een poging de mitrailleursalvo's te ontwijken. Ineens herkende Nance de schutter: het was de 22-jarige John Reynolds. Reynolds bleef staan, knielde en hief zijn geweer om terug te schieten. Hij kreeg niet eens de kans de trekker over te halen. Nance zag hem levenloos neervallen.
Eindelijk hield het mitrailleurvuur over het strand richting Nance op. Misschien hadden de Duitsers een andere sprinter in het vizier gekregen. Terugtrekken was er voor niemand bij op D-Day; hij moest verder. Nance kroop voorwaarts, met als doel een rotswand zo'n drie­honderd meter verderop. Plotseling voelde het alsof Erank Draper jr. zijn rechtervoet had geraakt met diens honkbalknuppel. Een deel van zijn hak was eraf geschoten. De kogels gierden opnieuw om hen heen. 'Ze kwamen zo dicht in de buurt,' herinnerde Nance zich. 'Toen, plot­seling, toen ik dacht dat alle hoop was vervlogen, keek ik naar boven, de lucht in. Ik zag niets. Maar ik voelde dat er iets op me neerdaalde. Ik kreeg een warm gevoel. Alsof ik aanvoelde dat ik het op de een of andere manier zou overleven.'
Nance lag zo onbeweeglijk als hij kon, hopend dat de schutter zou denken dat hij dood was. Maar zelfs lijken waren onderhand een doel­wit voor de Duitsers die boven Dog Green gepositioneerd waren. 'Die schutter met zijn mitrailleur wilde me gewoon niet met rust laten. Hij schoot een serie kogels op me af, richtte dan op een ander doel en kwam later bij me terug, alsof hij een kat-en-muisspelletje speelde.' Nance probeerde tevergeefs met zijn handen een schuttersputje in het zandstrand met kiezels te graven. Toen viel zijn oog op een natuurlijke kuil met water in het strand, die zag er diep genoeg uit om een man te verbergen.
Nance sloop zo snel mogelijk naar voren en liet zich in het lauwe water van de poel glijden. Hij vulde zijn longen met lucht en dook omlaag. Plotsklaps doorboorde een kogel het riempje van zijn verrekijkerfoedraal uit de Eerste Wereldoorlog. Nance dook keer op keer onder. Een poosje later toen hij bovenkwam om lucht te happen, lag er niet ver van hem een soldaat uit New York. Weer vlogen de kogels hen om de oren. Nance draaide zich om om ze frontaal tegemoet te treden. Hij zei tegen de New Yorker dat hij hetzelfde moest doen. De kogels veranderden van richting.
Nance en de New Yorker schoten over de laatste paar meters naar het klit. Eindelijk voelden ze kiezelstrand onder hun voeten. Nance zakte in elkaar, terwijl het bloed uit zijn voet stroomde. Maar hij was tenminste veilig. Hij keek naar de zee. 'Ik herkende twee [dode] offi­cieren. Ze lagen met hun gezicht naar boven in het water. Heel wat mannen warden verrast door het getij. Als we op het droge waren geland, hadden velen van hen het waarschijnlijk wel gehaald.'
Het getij had Nance op de hielen gezeten en anderen uit Com­pagnie A - die geen kracht meer hadden om verder te kruipen - doen verdrinken. Onder hen, zo denkt men, bevond zich ook Raymond Hoback. Nance had hen getraind. Hij had geprobeerd een goede lei­der voor hen te zijn. Hij had hun laatste liefdesbrieven gelezen. Zelfs nu hij op bebloede kiezelstenen bij Vierville-sur-Mer lag, voelde hij zich verantwoordelijk voor hen, voor ieder van hen. 'Ik was hun offi­cier. Het was mijn plicht... Ze waren de beste soldaten die ik ooit heb meegemaakt.'

'Hospik!'

M F.N vermoedt dat behalve nance slechts één andere man uit de hoofdkwartierboot van Compagnie A de ramp heeft over­leefd: hospik Cecil Breeden. Zodra hij het strand bereikte, ontdeed hij zich van zijn bepakking, overhemd, helm en laarzen. Toen ging hij rechtop staan. Hij wilde dat de andere mannen hem zouden zien en zijn voorbeeld zouden volgen. Ze moesten opstaan en zich bevrijden van hun uitrusting, die al heel snel tot de verdrinkingsdood zou kun­nen leiden.
'Hospik! Hospik!'
Breeden liep terug het water in om gewonden het strand op te trekken, weg van het opkomende water. Aarzelend begonnen ook enkele anderen hun bepakking af te gooien om te gaan helpen.
De Duitsers hadden Compagnie A aan flarden geschoten, maar ze waren nog altijd niet tevredengesteld. Ze doorzeefden nu de gewonde mannen die met hup armen in de lucht om genade smeekten. Ze bestookten soldaten die niet konden kruipen en Amerikaanse tieners die hun eigen hachje riskeerden om hen te redden. De luie schutters schoten met hun mitrailleurs de redders in de rug. Scherpschutters richtten zich op het voorhoofd. Door een of ander wonder werd Bree­den niet geraakt.
Terwijl Breeden 'onverzettelijk doorging met zijn werk,' kwam soldaat Russell Pickett van Compagnie A bij en ontdekte dat hij op nat zand lag. Vlak voor zijn landingsvaartuig aan wal zou gaan, had hij een 'laag gerommel' gehoord en vervolgens was hij buiten bewustzijn geraakt. Op zo'n vier meter bij hem vandaan lag een dode, van wie hij aannam dat die hem het strand op had getrokken. Het getij klotste tegen Picketts voeten. Hij kon zijn benen niet bewegen. Hij wist niet hoe lang hij bewusteloos was geweest. Het enige wapen dat hem rest­te, was een gevechtsmes. Iemand had de bepakking van zijn rug getrok­ken. 'Ik begon te denken dat ik in mijn rug was geraakt en voelde over­al met mijn handen, maar kon geen verwondingen ontdekken.'
Verstijfd van schrik omdat hij dacht dat hij zou verdrinken in het opkomende getij, graaide Pickett wanhopig naar de Mae West-reddingsvesten die tussen het macabere menselijke wrakhout in de buurt dobberden. Hij propte eentje onder elke arm en sloeg een andere om zijn borst en probeerde zo naar het strand te drijven. Hij zag een ver­vanger uit Ohio die de bijnaam 'Whitey' droeg; hij kende slechts een handjevol mannen van Compagnie A bij hun echte naam. 'Hij werd geraakt en viel neer, hij stond weer op en werd opnieuw geraakt, in zijn been, waardoor hij rondtolde,' herinnerde Pickett zich. 'Toen kroop hij weg, buiten mijn gezichtsveld, zelfs nadat hij voor de tweede keer was getroffen.'
Pickett herkende nog een man, een zekere luitenant Fergusson, een recente vervanger die football had gespeeld voor het Amerikaanse leger. 'Hij was kolossaal. Ik kende hem redelijk goed, omdat hij dikwijls was rondgeslopen om met ons, jongens in opleiding, poker te spelen. Hij was zwaargewond. De bovenzijde van zijn hoofd hing over zijn gezicht heen. Je zag enkel een massa bloederig vlees. Het was alsof zijn hoofdhuid over zijn gezicht was getrokken.'
'Ik zie niks!' schreeuwde Fergusson.
'Ga linksaf en verdwijn!'
Fergusson sloeg links af maar werd binnen enkele meters neer gemaaid door een mitrailleur.
Pickett worstelde om zijn hoofd boven water te houden, terwijl hij zich op de vloedstroom naar de kust probeerde te laten drijven, uit­eindelijk zou hij uit het water worden gevist en teruggebracht naar de Empire Javelin.
De Amerikanen bleven komen, Compagnie B kwam om 7:00 uur aan. Radiobediende Bob Sales stond op een halve meter afstand van kapitein Ettore Zappacosta, de commandant van Compagnie B. Terwijl hun landingsvaartuig in de goede richting op het land aanstuurde, recht op de uitvalsweg naar Vierville af, gaf Zappacosta Sales de opdracht om 'naar de rand te kruipen om te kijken wat hij kon zien.' Het strand was op een steenworp afstand, maar Sales zag geen vechtende soldaten van Compagnie A, alleen lijken. Waar waren de Bedford boys en hun maten? Waren ze elders aan wal gegaan?
'Kapitein’ schreeuwde Sales, ' er is iets mis. Overal op het strand liggen mannen!'
'Ze horen niet op het strand te zijn.'
Sales had op het strand geen levende ziel gezien, maar het was dui­delijk dat er op de hoge kliffen en in de heuvels ervoor meer dan genoeg schutters met machinegeweren zaten: de kogels vlogen heen en weer en deden het zand in wolkjes opvliegen.
Een Britse boegman kondigde aan dat hij de klep omlaag zou laten. Sales dook weer naar beneden. Zappacosta was de eerste die het vaartuig verliet. De MG-42 kogels doorzeefden hem onmiddellijk. 'Ik ben geraakt, ik ben geraakt,' gilde hij. ledere man die Zappacosta over de klep naar buiten volgde, wachtte hetzelfde lot, gevangen in een meedogenloos kruisvuur.
Sales zou ook vermoord zijn, maar hij struikelde onderweg naar buiten, verloor zijn evenwicht en viel in het water aan de zijkant van de klep. Hij droeg zijn radio nog altijd bij zich. Onder water worstelde hij  om de radio te lozen: als hij het vervloekte apparaat niet van zijn rug  wist te krijgen, zo besefte hij, zou hij zijn longen nooit meer met lucht  kunnen vullen. Sales wrikte zijn last uiteindelijk los en kwam aan de  oppervlakte. Hij dreef enkele meters voor het landingsvaartuig. Voor de machinegeweren was het jachtseizoen nu pas echt geopend. Er stroomden nog altijd mannen naar buiten, die zodra ze op de klep ver­schenen ook werden neergeknald. 'Iedereen werd neergeschoten zodra hij het vaartuig verliet,' zei Sales. 'Die Duitse mitrailleurs — ze vraten ons gewoon op.'
Boven op de kliffen waren de trekkers van de Duitse MG-42 machinegeweren te heet om aan te raken. 'Het was de eerste keer dat ik echt op mensen schoot,' herinnerde een Duitser zich in 1964. 'Ik weet niet meer precies hoe het ging: het enige wat ik me nog kan her­inneren, is dat ik achter mijn machinegeweer kroop en schoot, en schoot en schoot.'
Sales' blik viel op een van de chirurgen van het 1ste  Bataljon, kapi­tein Robert Ware, ook afkomstig uit Virginia en getooid met een kort, felrood kapsel: 'Hij had ervoor gezorgd met een van de eerste golven mee te komen in plaats van pas later op de dag, omdat hij wist dat er veel gewonden zouden vallen. Toen die klep omlaagging, openden ze het vuur en maaiden ze hem neer. Ze schoten de boot gewoon aan flar­den. Hij had een driedaagse pas voor Londen voor me geregeld. Had mijn knie behandeld, nadat ik die in Engeland tijdens een rivieroversteek had verwond; hij kwam uit de buurt van mijn woonplaats, Lynchburg.'
Sales keek nog eens om zich heen. Hij zag geen andere overleven­den van zijn schip. Er ontplofte een mortiergranaat, waardoor Sales verlamd was van angst. Enige tijd later greep Sales, die zich 'erg ver­suft' voelde, zich vast aan een boomstam die onderdeel van een verde­digingswerk was geweest. Aan een kant ervan zat nog altijd een actieve mijn. Plotseling dook er een andere soldaat aan zijn zijde op die hem hielp zijn zware gevechtsjack uit te trekken, zodat hij niet zou verdrin­ken.
Sales gebruikte de boomstam als dekking en duwde hem voor zich uit, met gezicht tegen het hout gedrukt. Uiteindelijk haalde hij het strand, waar hij de verbindingssergeant van zijn boot, Dick Wright, in het oog kreeg, die vlak na Zappacosta het vaartuig had verlaten. Hij was zwaargewond en was aan wal gespoeld. Toen hij Sales zag pro­beerde hij zich op zijn ellebogen op te richten om iets te zeggen. Maar voordat hij een woord kon uiten, werd hij door een scherpschutter die zich ergens tussen de rotsen schuilhield neergeschoten.
'Het leek of zijn hoofd explodeerde. De stukken vielen om me heen in het zand. En daar lag ik dan, redenerend dat ik de volgende zou zijn. Ik zei bij mijzelf: Die scherpschutter heeft mij ook in het vizier. Maar kennelijk werd hij door iets anders afgeleid, misschien door een ander schip, een groter doelwit; hij kreeg me niet te pakken. Ik begroef mijn hoofd zo diep mogelijk in het zand, sloeg mijn armen over mijn hoofd en wachtte af. Volgens mij heb ik daar wel dertig minuten zo gelegen.
Ik had een muur gezien, op ongeveer vijftig meter afstand. Ik dacht: Als ik die muur haal, heb ik een beetje dekking. En misschien kan ik een ander geweer of iets dergelijks te pakken krijgen. Ik had vijf­tig meter af te leggen - een heel eind als je verwacht dat iemand je zal doodschieten. En dus begon ik dode lichamen te gebruiken. Ik kroop naar de ene en dan, heel behoedzaam, naar de volgende. Ze vormden mijn enige bescherming.'
Overal om Sales heen werden mannen van Compagnie B neerge­knald terwijl ze vooruit kropen. Zij die langs de waterlijn aarzelden werden belaagd door continu machinegeweervuur. Tjonge, dacht Sales, ik moet verdomd goed oppassen hier. Sales verplaatste zich uiterst moeizaam. De lijken van de Bedford boys en vele anderen lagen bezaaid over het strand, om de tien meter lag er wel eentje. Sommige gezichten kende hij. Ze hadden naar hem gelachen in de kroeg. Ze waren hem gepasseerd op koude exercitieterreinen.
'Ik heb die dag geen levende ziel van Compagnie A gezien,' herin­nerde Sales zich. 'Maar ik zag hun lichamen wel. Ik herinner me hun namen niet. Ik was als de dood. Maar er lagen er heel wat. Ik kroop duidelijk rond tussen de resten van Compagnie A: niemand anders kon zo snel de dood zijn ingejaagd. Er lagen lichamen zonder benen, soms alleen een been, verminkte ledematen. Later hoorde ik dat kapitein Fellers en kapitein Zappacosta - die goed bevriend waren - binnen een tiental meters van elkaar op het strand waren aangespoeld.'
Ineens zag Sales een andere soldaat uit Compagnie B, Mack Smith, bij een groepje rotsen aan het begin van de zeemuur. Sales kroop ernaartoe. Hij had het gehaald. Smith was drie keer in het gezicht geraakt. Een oogbal lag op zijn wang. Sales gaf hem een 'morfineshot', drukte het oog terug in zijn kas en verbond de man.
'Ze hebben gefaald, man,' zei Smith. 'We moeten hier weg zien te komen. Ze moeten ons boten sturen.'
Het tweetal bleef achter de zeewering liggen, beiden in shock, gedurende wat een eeuwigheid leek. Sales zou die middag van het strand gehaald worden, maar zou voor het invallen van de avond terug­keren nadat hij een dokter had overgehaald om hem mee te laten gaan met een nieuwe lancering, bedoeld om de gewonden van Omaha Beach te redden. 'Niemand van mijn schip leefde nog, behalve ik. Niemand. Iedereen is die dag gesneuveld,' vertelde hij.
Sommige mannen van Compagnie B in het landingsvaartuig van Hal Baumgarten overleefden het, maar het waren er niet veel. Toen zijn schip de kust naderde, enigszins ten oosten van uitvalsweg D-1, gutste het ijskoude water naar binnen en stond het weldra ter hoogte van Baumgartens middel. Luitenant Harold Donaldson van Compag­nie B leunde tegen de klep van het landingsvaartuig. 'Nou, waar wach­ten jullie goddomme op?' schreeuwde hij. 'Doe je helm aten begin te hozen.' Kogels ketsten af op de LCA. Links van Baumgarten explo­deerde ineens een landingsvaartuig als gevolg van een inslag door een 88mm-granaat. Het regende brokstukken van mensen en hout.
Ze rukten op en het geluid van explosies werd luider en luider. Het volgende moment was de klep naar beneden. De mannen gingen zo snel ze konden naar buiten, linea recta in het dradenkruis van het zoveelste MG-42 machinegeweer.
Baumgarten sprong, het geweer boven zijn hoofd. Een kogel schampte zijn helm. Hij kwam terecht in water van zo'n 1,80 meter diep, dat bloedrood kleurde door de mannen die vlak voor hem wer­den neer gemaaid, onder wie Donaldson: neergeknald zodra hij het vaartuig had verlaten.
Baumgartens oog viel op de zeewering, driehonderd meter ver­derop. Op de muur waren krullende stukken prikkeldraad uitgerold. Even verderop lag een heuvel van ongeveer dertig meter hoog waarin talloze loopgraven waren aangebracht die scherpschutters, mortierpersoneel, raketwerpers en soldaten met MG-42 machinegeweren met elkaar verbond.
Baumgarten waadde naar de wal, terwijl de kogels om hem heen in het water opspatten. Links van hem bevonden zich twee waterdichte tanks. Mannen verschuilden zich erachter. Een ervan vuurde met zijn 76mm-kanon op de Duitsers in de heuvels en op de kliffen. De andere tank was buiten werking gesteld. Er hing een dode uit de geschutskoe­pel. De rubberen drijfbanden waren er beide afgevallen.
Waar waren de andere tanks die volgens plan bij de Vierville D-1 uitvalsweg aan wal moesten gaan?
Een machinegeweer ging los, vlak boven de zeewering, een stukje links van Baumgarten. Zijn geweer werd door een kogel geraakt. Er zat 'in de brug, voor de trekkerbeugel, een strak, rond gaatje. De zeven kogels in de voorste brug hadden voorkomen dat de Duitse kogel zijn geweer kon doorboren en zijn borstkas had geraakt.'
Een andere man uit Compagnie B, de negentienjarige soldaat Robert Dittmar, viel op zo'n drie meter afstand steil achterover.
'Ik ben geraakt - ma, mama,' jammerde hij, en hij stierf.
Baumgarten liet zich op zijn knieën vallen achter een verdedigingsobstakel, een zogenaamde Tsjechische egel: vier, in stervorm aan elkaar gelaste ijzeren balken. Bedford Hoback lag zo'n dertig meter links van hem. Hoback leek gewond. Drie anderen van Compagnie A lagen bewegingloos naast hem.
'Er was een kazemat gebouwd in een heuvel rechts van mij,' her­innerde Baumgarten zich. 'Hij leek vermomd te zijn als een bungalow aan zee. De mitrailleur in die bunker kon het strand vanaf de zijkant in zijn geheel bestrijken met zijn dodelijke spervuur. Welk wonder voor­kwam dat ik geraakt werd? Ik verwijderde het beschermende latex con­doom van de mond van een geweer en vuurde op het schijnsel van een helm op de heuvel rechts van mij (...) na mijn schot hield het geschutsvuur vanaf die kant op.'
Terugvechten voelde geweldig. Maar het gevoel duurde niet lang. Delen van een 88mm-granaat raakten Baumgarten in het gezicht, verbrijzelden zijn kaak en spleten zijn bovenlip in tweeën. 'Mijn gehemel­te lag open en mijn tanden en tandvlees vormden een grote chaos daar­binnen,' wist hij nog. 'Het bloed spoot vrijelijk uit de gapende wond’ Dezelfde granaat trof Bedford Hoback recht in zijn gezicht. 'Zijn hoofd viel op zijn borst, hij was er geweest. Naast hem lag Eimere Wright. Ik was ervan overtuigd dat hij het was, vanwege zijn neus: die leek precies op die van Dick Tracy uit de strip.'
Baumgarten waste het bloed van zijn gezicht. Hij verkeerde in een zware shocktoestand, maar was in staat op de been te blijven. Zijn ledematen waren ongedeerd. Snel gooide hij het grootste deel van zijn bepakking aten vervolgens gleed hij over de grond naar voren waarbij hij lijken en 'egels' als dekking gebruikte. Er kwamen geen versterkin­gen achter hem aan die de aandacht van de Duitsers konden afleiden. Omdat de obstakels op Dog Green niet waren verwijderd, waren de Compagnies C en D ver van hun koers afgeweken om twee strandsecties verder naar het oosten aan wal te gaan. De Duitsers boven de D-l uitvalsweg naar Vierville hoefden niets anders te doen dan iedereen die ook maar een vin verroerde neerschieten.
Intussen, op ongeveer een kilometer van het strand, lukte het John Barnes en Roy Stevens om hun hoofd boven water te houden. Ze hoor­den dat er een zwaar vuurgevecht plaatsvond rond de uitvalsweg naar Vierville. Terwijl ze op en neer dobberden in de hevige deining, hoor­den ze ook de kalmerende stem van de twintigjarige tweede luitenant Gearing. Hij drong erop aan dat ze dicht bij elkaar bleven. Op die manier kon de zwakste van het stel ook blijven drijven.
Sergeant John Laird, een kleine Schot wiens familie afkomstig was uit Greenock in Schotland, meende dat ze beter naar het strand kon­den zwemmen om Compagnie A daar te helpen het strand over te ste­ken.
'Laten we erheen zwemmen’ riep hij.
'Nee, laten we wachten,' antwoordde Gearing.
Laird wilde weten hoe ver het was.
'Minstens duizend meter,' antwoordde iemand, maar niemand wist het precies.
'We halen het niet,' sprak Gearing beslist. 'Het is te ver. We wach­ten tot een passerend schip ons oppikt.'
Spieren verkrampten. De mannen klampten zich wanhopig vast aan hun kameraden, terwijl onderkoeling hen parten begon te spelen. Er kwamen wel schepen langs, maar niet een ervan minderde vaart. Toen, terwijl er mannen op sterven waren, terwijl hun greep op de drij­vende voorwerpen en elkaar verslapte, hoorden ze 'de vriendelijke schreeuw van iemand met een Limey-accent': luitenant-ter-zee 2de klasse Jimmy Green. Hij was teruggekeerd met de LCA 910.
Green en zijn bemanningsleden begonnen de mannen uit het water te trekken. Het was een slopende taak: sommige mannen wogen twee keer zoveel als normaal. Green en zijn mannen gebruikten hun matrozenmessen om de loodzware plunjezakken en kletsnatte uit­rustingen los te snijden.
Roy Stevens schrok wakker. Hij zag Clyde Powers aan boord van Greens schip klauteren.
'Clyde, hier, help me!' riep Stevens.
'Tuurlijk.'
Powers stak zijn arm uit en trok Stevens langzaam aan boord van het vaartuig. Het merendeel van de tijd dat ze in het water hadden gelegen, had Powers Stevens geholpen om zich drijvende te houden.
Stevens viel op de grond en braakte zeewater uit. Hij schudde en rilde. Het volgende moment bevrijdde een Brit hem van zijn gevechts-jack en zijn Mae West. Een ander deelde sigaretten uit. Jimmy Green opende een slof met tweehonderd Capstan belastingvrije peuken. Hij verontschuldigde zich terwijl hij ze ronddeelde. 'Het spijt me, jongens, het zijn helaas Britse, op dit schip zul je geen Camels of Lucky Strike's aantreffen.'  
De motoren van de LCA 910 raasden. Ze voeren in de richting van Het Kanaal. Velen leken verbaasd. Anderen waren ontsteld: ze lieten Roys broer en hun maten achter om het alleen uit te vechten. Onder geen beding, zei Green, zouden ze terugkeren naar het strand. Ze waren absoluut niet in staat om te vechten. Ze keerden terug naar de Empire Javelin.
John Barnes probeerde warm te worden. Hij herkende twee man­nen van Compagnie A, die dicht bij hem lagen: Russell Pickett, die in shock maar bij bewustzijn was, en sergeant Frank Draper jr., die onder het bloed zat. 
'Draper leefde nog wel, maar was bewusteloos,f herinnerde Pickett zich. 'Een kogel uit een antitankwapen was dwars door zijn linker­schouder en bovenarm gegaan. Je kon zijn hart zien kloppen.'  Draper lag dood te bloeden. Hij had nog minder dan een uur te leven. 'Hij heeft niet de kans gekregen iemand te doden,' zei zijn zuster Verona later. 'Daar ben ik blij om.'
'Hoe is het de anderen [van Compagnie A] vergaan?' vroeg iemand.  Green antwoordde dat ze allemaal veilig op het strand waren aan­gekomen, niet wetend wat er vervolgens was gebeurd toen de Duitsers met hun machinegeweren het vuur openden. Rond dezelfde tijd naderde Bob Slaughter van Compagnie D Omaha Beach in de vierde aanvalsgolf. Een paar honderd meter van het strand stond hij op om beter zicht te krijgen op de kliffen, ervoor wakend dat hij zijn hoofd laag hield: de kogels ketsten af op de boot en suisden aan hem voorbij. Nergens zag hij de toren van de kerk in Vier-ville-sur-Mer, het oriëntatiepunt dat hen naar Dog Green moest lei­den. Was de toren gebombardeerd? In plaats daarvan zag hij rechtvoer hen een fikse brand in het kreupelhout en een zwarte rooksluier die boven de kliffen van de Dog White-sectie hing. De Duitsers leken te schieten op zorgvuldig gekozen vaartuigen en gebruikten daartoe alle soorten kalibers die ze hadden.
De klep ging omlaag. Slaughter verstijfde. Het vaartuig deinde zo hevig op en neer in de branding dat het leek of hij 'een wild bokkend paard bereed.' Hij ging twee tot drie keer met de klep op en neer. De mannen achter hem konden geen kant uit. Hij blokkeerde de uitgang. Slaughter sprong er aan de zijkant af en waadde naar de wal en keek toen om naar zijn landingsvaartuig: verschillende vrienden van hem uit Roanoke waren geraakt. Ze bloedden hevig, sommigen lagen wild te spartelen in het water. Eén man werd gegrepen door de schroef van het vaartuig. Slaughter zag hem 'als een tol' in het rond draaien terwijl hij
stierf.
Het vaartuig begon zich in de richting van de zee terug te trekken. Maar terwijl het zich losmaakte van het strand, de landingsklep nog altijd open, werd het vaartuig geraakt en zonk het razendsnel, twee Britse matrozen meezingend.
Slaughter zag tanks. Een landingsvaartuig dat in lichterlaaie stond. Een soldaat die naar hem toe kwam rennen.
Er weerklonk een schot.
De man viel, struikelde, gilde.
'Hospik! Hospik!'
Een hospik haastte zich naar hem toe. Maar de Duitsers kregen ook hem te pakken, 'doorzeefden hem domweg.'
Slaughter wist uiteindelijk de zeewering te bereiken, waar hij op adem probeerde te komen.
Enkele honderden meters ten westen van Slaughter werd Hal Baumgarten onderhand verteerd door woede. Het was allemaal zo vre­selijk onrechtvaardig, zo eenzijdig. Hij greep de M1-karabijn van een dode en dook snel terug in het ondiepe water, waar hij zich voor dood hield te midden van een groepje lijken dat met het inkomende water in de richting van de zeemuur dreef. Baumgarten wist ten slofte het strand te bereiken. Toen het droge zand. Maar ze waren nog steeds honderd meter verwijderd van de muur. Op de een of andere manier kon hij de kracht opbrengen om ernaartoe te kruipen. In oostelijke richting zag Baumgarten enkele mannen uit Compagnie A, die aan hun verwondingen lagen te bezwijken. Hij herkende een paar van hen. De aanblik brak zijn hart; het waren bijna nog tieners, die om hun moeder en hun broeders riepen.
Hospik! Hospik!'
Maar waar bleven die artsen in godsnaam? Waren die ook allemaal afgeslacht?
Baumgarten stond op en rende langs de zeewering in oostelijke richting. Hij probeerde de gewonden een beetje dichter naar de muur te trekken, buiten het bereik van MG-42 kogels en scherpschutters. Maar hij kon slechts een enkeling helpen. En er waren er zoveel. Zoveel jonge Amerikanen met uitgestrekte armen, slechts enkele tien­tallen centimeters verwijderd van de kans op overleven.
Baumgarten wist uiteindelijk de D-1 uitvalsweg naar Vierville te bereiken. Aan de voet ervan stond een Shermantank. Die was uitge­schakeld.
De invasie leek te zijn mislukt. Een operationeel verslag van het V-Korps vatte de hele situatie als volgt samen: 'Aanvalseenheden in staat van ontbinding. Zware verliezen. Vijandelijk vuur voorkomt de opruk voorbij de kustlijn. Ontscheepte eenheden verdringen zich op de klein­ste plekken. Genie is niet in staat doorgangen te verwezenlijken in de mijnenvelden of de strandobstakels op te blazen. Pantservoertuigen en andere voertuigen lamgelegd op het smalle strand.' Van de bestormingbataljons die uiteenvielen, had Compagnie A het meest te lijden.
Die was nu 'inert, leiderloos (...) een hopeloos kleine reddingsbrigade erop gebrand was te overleven en levens te redden.'  Baumgarten ontdekte een goede vriend, soldaat Robert Garbed uit Newport News, Virginia. Garbed was dood, lag met zijn gezicht op het strand. Ook hij had de essentiële D-1 uitvalsweg weten te bereiken. Daarvoor had hij de hoogste prijs moeten betalen, net als 102 anderen van Compagnie A.

Iedere man was een held 


Tegen 7:30 UUR die ochtend dachten de Duitsers boven Dog Green dat ze de strijd hadden gewonnen. Ze stonden op het punt te doen wat Rommel hun had opgedragen: de vijand terugdrijven in de zee. De paar Amerikanen die nog in leven waren, vormden een gemak­kelijk doelwit. Er was geen spoor van versterkingen.
De commandant van Wilderstansnest (verdedigingsemplacement) 76 belde met het hoofdkwartier van de 352ste Divisie. 'Langs de water­kant bij eb in de nabijheid van St. Laurent en Vierville zoekt de vijand dekking achter de kustobstakels,' rapporteerde hij. 'Talloze voertuigen - waaronder tien tanks - staan brandend op het strand. De eenheden die de obstakels moeten vernietigen, hebben hun arbeid gestaakt. Het ontschepen vanuit de landingsvaartuigen is ten einde, de schepen hou­den zich verder zeewaarts op. De beschietingen vanuit onze verschan­singen en de artillerie waren succesvol en hebben gezorgd voor een aanzienlijk aantal slachtoffers onder de vijand. Op het strand liggen tal­loze gewonden en doden.'
Intussen naderden een steeds bezorgdere brigadegeneraal Norman Cota en kolonel Charles Canham het Dog White-strand, zevenhonderd meter ten oosten van de D-1 uitvalsweg. Hun schip vervoerde het per­soneel voor het hoofdkwartier van de 29ste Divisie, onder wie Jack Shea, de aide de cawp van Cota. Op tweehonderd meter van de kust stuitten ze op een serie houten balken die schuin uit het water staken. De geniesoldaten van het 146ste Speciale Onderwater Explosieven-opruimings-bataljon hadden deze dodelijke hindernissen uit de weg moeten ruimen, maar zij waren anderhalve kilometer naar het oosten geland. Ongeveer een derde van de houten balken was voorzien van Tèller-landmijnen die er met roestig prikkeldraad aan waren vastgemaakt.
De stuurman nam gas terug ter voorbereiding op de landing. Een tegenstroom van drie knopen per uur en de branding sleurden hen meermalen tegen een houten balk, waardoor de Tellermijn losliet van het obstakel. Tot hun grote opluchting explodeerde de mijn niet. 'De stuurman gaf gas, manoeuvreerde tot het schip vrij lag en liet de klep naar beneden’ herinnerde Shea zich. 'Toen de klep naar beneden ging, werd ons vaartuig met relatief bescheiden wapens bestookt.'
Terwijl ze onder vuur lagen, ploeterden Cota, Canham en hun personeel door ongeveer een meter water. Plotseling kwamen ze bij een geul, anderhalve meter diep en negen meter breed. Terwijl ze erdoorheen waadden, werd een zekere majoor John Sours, de S-4 inlichtingenofficier van het 116de Infanterieregiment, in de borst geraakt door machinegeweervuur waarna hij, met zijn gezicht naar beneden, dood in het water neerviel.
De dichtstbijzijnde schuilplek was een DD-tank van Compagnie C, van het 743ste Tankbataljon. Deze en zeventien andere tanks ston­den enkele meters voorbij de waterlijn. Ze waren zes minuten voor H-Hour aan wal gezet en de meeste ervan waren nu al lamgelegd. Twee tanks, die de D-1 uitvalsweg hadden bereikt, stonden in brand. Een ervan was de C-5, een andere DD-tank van Compagnie C. Hij was geraakt door kogels uit een 88mm-geweer, die vanuit de bunker aan de voet van de D-1 uitvalsweg waren afgevuurd. Cota en Canham reali­seerden zich dat de landing van de zo cruciale tanks op een totale mis­lukking was uitgelopen. Er was geen sprake van dekking gevend artil­lerievuur vanaf het strand zelf en dit betekende dat de manschappen waren overgeleverd aan de geschutstellingen en de soldaten met machinegeweren die over de gehele breedte van de kliffen klaarston­den.
De Duitsers vuurden nu vlakbaanpatronen af, keken waar die uit­eenspatten en stelden hun schot vervolgens bij. Binnen een paar minu­ten wisten ze de landingsvaartuigen in het vizier te krijgen terwijl deze strandden op de kust. Tegen de tijd dat de kleppen naar beneden waren gelaten, lagen de meeste voertuigen rechtstreeks onder vuur. Cota en Canham sprintten naar voren en wisten de zeewering van Dog Beach, zo'n anderhalve meter hoog, te bereiken.
Om de ongeveer vijftig meter waren er kleine houten hekjes aan­gebracht in de zeewering, die zo'n zes tot negen meter in zee uitstaken.
Langs de gehele lengte van de muur lagen kluwens toegetakelde en verlamde mannen afkomstig uit verschillende compagnieën. Officieren van de genie lagen zij aan zij met artsen, mannen van het 2de en 5de regiment Rangers en met marinepersoneel. Ze verkeerden allemaal in dezelfde benarde toestand. Of om met de woorden van luitenant Shea te spreken, ze zaten stevig 'in de klem!'
Cota en Canham kropen ineen achter de zeewering, terwijl de beschietingen met Duitse Nebelwerfers en mortieren verergerden. De meeste schoten belandden in het zand voorbij de zeewering, maar sommige ontploften tussen de Amerikanen en veroorzaakten afschu­welijke verwondingen en bloedstollende paniek. De kogels uit de Nebelwerfers spatten uiteen in grote scherven, gewoonlijk ter grootte van een spadeblad, die mannen in tweeën konden splijten als zij in de buik of in de lendestreek werden geraakt. De Nebelwerfers waren ech­ter minder fataal dan de mortieren, die veel meer stukjes over een gro­ter gebied uitspreidden en na de MG-42 mitrailleurs verantwoordelijk waren voor de meeste doden op Omaha Beach.
Hoe langer de mannen zich ophielden achter de zeewering, hoe groter de kans werd dat ze aan flarden werden geschoten. Kort na H-Hour waren pelotons van Compagnie C de steile oevers van Dog White gaan beklimmen via een route die duidelijk gemarkeerd stond op de invasieplattegronden van hun officieren. Op de een of andere manier zouden de mannen die nog achter de zeewering zaten ook een uitweg moeten vinden van Dog Beach, wilden ze in leven blijven.
Maar de tijd drong. De legerartsen werden nu al overweldigd door de omvang van de slachtpartij en werkten zich uit de naad met de beperkte middelen die ze hadden: vaak alleen verband en morfinespuiten en een paar capsules met sulfa. Overal lagen mannen met ernstige hoofd- en buikwonden. Mannen die ledematen hadden verloren, stier­ven snel door bloedverlies, tenzij hun kameraden een tourniquet wisten aan te leggen, wat velen deden, met behulp van stukjes touw, riemen, en zelfs afgescheurde repen uniform. Ingewanden en inwendi­ge organen moesten worden teruggeduwd in de lichamen van mannen die door de schok met stomheid waren geslagen. Er waren zo veel gewonden, zo veel ernstige gevallen, merkte Shea op, dat 'gapende hoofd- en buikwonden met dezelfde snelle efficiëntie werden verbon­den als minder grote verwondingen.'
Luitenant Ray Nance was alle gevoel voor tijd verloren toen hij bloedend op de kiezelstenen achter de zeewering nabij de D-1 uitvals­weg naar Vierville lag. Op een gegeven moment zag hij iets wat leek op een Duitse pantserwagen. Het leek of de strijd was verloren: de Duit­sers voerden een tegenaanval uit en dreven het 116de Infanterieregiment terug de zee in.
Het is een groot fiasco, dacht Nance. Ze vegen de vloer met ons aan.
Maar toen zag hij de zon weerspiegeld in de zijkant van een tank. Nance zag de 'fraaie witte ster' die op alle Amerikaanse voertuigen stond afgebeeld. Het was een Sherman. Hij staarde naar de ster en voelde zich meteen een stuk beter.
Toen, ineens, stond er een marinearts in een groene overal over hem heen gebogen. Nance was doorweekt en bedekt met olie en vet. De arts zag er onberispelijk uit, en kurkdroog. Hij knielde naast Nance neer en begon hem te onderzoeken. Hij had eerder gevochten. Dat bleek duidelijk uit de manier waarop hij zich onder vuur gedroeg.
'Dit is erger dan Salerno,' zei hij tegen Nance.
De hospik gaf Nance een morfine-injectie, opende diens spijkerschoen en verbond zijn gewonde hak. Op een gegeven moment was Nance ook in zijn hand en later opnieuw in zijn voet geschoten. Hij was een van de weinigen die erg veel geluk had. Hij had 'wonden van één miljoen' die ernstig genoeg waren om de oorlog vaarwel te zeggen, echter niet levensbedreigend.
'Sterkte,' zei de marinearts.
Het volgende moment was hij verdwenen. Gewonde soldaten om Nance heen hadden hem niet gezien: Nance ijlde. Maar Nance wist dat hij bestond. Hij wist het gewoon. De arts, als door de hemel gezonden, had hem gered en was verder gegaan. Alleen God wist waarheen.
Nance keek om zich heen, de morfine begon zijn werk te doen. Hij zag twee dode mannen met hun gezicht naar boven. Hij herkende bei­den. De ene was een officier van Compagnie D. Plotseling merkte hij dat er een andere man naast hem zat: Cecil Breeden.
Breeden controleerde de verschillende verbanden van Nance en meldde dat hij de lijken had gezien van kapitein Fellers, John Schenk en John Wilkes. Ze waren allemaal waarschijnlijk binnen enkele minuten na aankomst op het strand door Duitse machinegeweren neergeknald. Voor zover Breeden wist, was Nance de enige nog levende offi­cier van Compagnie A, dus had hij het bevel over de restanten ervan.
Intussen verplaatsten Cota en Canham zich van de ene naar de andere groep mannen, hen aanmoedigend om zichzelf te bewapenen met wat ze maar aan wapens konden vinden om vervolgens zo snel mogelijk het strand te verlaten. Plotseling werd Canham door zijn linkerpols geschoten. Hij liep verder over het strand, in zijn goede hand een Colt .45 meevoerend, terwijl het bloed uit zijn wond spoot.
'Hospik!'
Cecil Breeden kwam meteen, wikkelde een verband om Canhams pols en vervolgde haastig zijn weg. Cota stelde voor dat Canham zich terug zou trekken. Canham weigerde en sloop verder langs de zeewe­ring, zoekend naar een geul, een zwak punt, waar dan ook, waarlangs ze de heuvels zouden kunnen beklimmen. Zijn lijfwacht volgde hem op de voet en herlaadde Canhams Colt .45 om de paar minuten.
Achter de zeewering, aan de voet van de D-1 uitvalsweg, keek Hal Baumgarten in oostelijke richting, waar hij een gedaante met rechte rug over het strand zag lopen, 'een engel van genade,' die hier en daar bukte om de stervenden te troosten en anderen op te kalefateren... Toen Cecil Breeden eindelijk bij Baumgarten was, gaf hij hem twaalf sulfatabletten met het advies wat water te drinken. Hij was sterk uitge­droogd. Granaten en mortierschoten kwamen overal om hen heen neer. Breeden leunde over Baumgarten heen, zich schijnbaar onbewust van het zware geschutvuur, en legde een drukverband aan op diens gezicht.
Baumgarten probeerde Breeden naar de grond te trekken, buiten de vuurlinie, maar hij sloeg diens hand weg.
'Jij bent nu gewond,' zei Breeden. 'Als ze mij te pakken krijgen, mag je mij helpen.'
In Baurngartens ogen was Breeden 'waarschijnlijk de grootste held van D-Day.' Breeden zou de oorlog overleven en vergezelde Compag­nie A helemaal naar Duitsland zonder een schrammetje op te lopen. Ondanks aanhoudende en eensgezinde pogingen door talloze overle­venden, en Baumgarten in het bijzonder, stierf Breeden zonder dat hij een militaire onderscheiding kreeg als erkenning van zijn heroïsme op Omaha Beach: heroïsme dat allen die op het randje van de dood zweef­den hoop schonk.
Een later verschenen rapport van de Medische Afdeling van het Amerikaanse leger vermeldde dat 'door de handelwijze en het voor­beeld van mannen als hospik Breeden veel overlevenden [van Com­pagnie A] de wilskracht vonden om talloze gewonden te redden van het naderende tij, door hen van het strand te halen en op een beschutte positie achter te laten, waar andere overlevenden van een Compagnie zich hadden verzameld. Als Breeden er niet was geweest, waren ze mogelijk allemaal op het strand gestorven.'
'Iedere man was een held, ik heb niet één lafaard gezien,' zei Bree­den later met de voor hem typerende bescheidenheid. 'Toen ik Baumgarten vond, lag zijn gezicht aan één kant grotendeels open. Ik lapte hem op en vervolgde mijn weg. Ik keek nu en dan naar de jongens die die vervloekte bunker [aan de voet van de uitvalsweg] probeerden in te nemen. Als ik het me goed herinner, kostte het zes levens of meer om dat voor elkaar te krijgen. Voor zover ik weet heeft niet een van hen het overleefd. Ik zou niet kunnen zeggen wie erbij waren. Ik was gewoon te druk om te beseffen wat er om me heen allemaal gaande was. '
Breeden verliet Baumgarten om ongeveer 8:15 uur. Over de gehe­le lengte van Dog Green begonnen manschappen zich te organiseren, hun gezichten getekend door verschrikkingen en vastberadenheid. Onder hen was ook 'Big Bill' Presley, sergeant-majoor van Compagnie B. Breeden zag Presley over het strand lopen, ogenschijnlijk de kogels en granaatscherven die hem om de oren suisden vergetend.
'Wat doe je?'vroeg Breeden. 'Ik zoek verdomme een geweer dat het doet,' antwoordde Presley, wijzend naar de kliffen. Een aantal van zijn mannen was de zeewering al voorbij.
'Ga liggen of je gaat eraan,' beval Presley. 'Waar heb je het in vredesnaam over?' vroeg Breeden. 'Jij bent ver­domme een veel groter doelwit dan ik.'
Presley grijnsde en liep verder. Het duurde niet lang voor hij met een M1-karabijn op de arm terugkeerde, hij zwaaide naar Breeden, om zich daarna bij zijn manschappen te voegen.
Tegen 8:30 uur waren er zo'n vijfduizend manschappen afgezet op net zesenhalve kilometer lange strand van Omaha Beach. Op zee rea­liseerden marinecommandanten zich dat er iets vreselijk mis was gegaan. Volgens plan Overlord moesten de 1ste en 29ste Divisie inmiddels landinwaarts zijn getrokken. Maar wanneer waarnemers door hun verrekijkers en telescopen tuurden, zagen ze dat de soldaten golf na golf op het strand vastliepen. Over de gehele lengte van de branding ontvouwde zich een gruwelijk beeld, bestaande uit dode mannen, lichaamsdelen en grote hoeveelheden materialen die essentieel waren om uitvalswegen te forceren vanaf het strand: pakketten TNT, dozen met ammunitie, draadscharen en ontelbare Bangalore-torpedo's. Met name het verlies van communicatieapparatuur was ernstig. Drie van de vier radio's van het 116de  Infanterieregiment waren nutteloos gewor­den.
Beseffend dat dekking essentieel was en gegeven het feit dat de meeste amfibische tanks buiten werking waren gesteld of gezonken, brachten commandanten van de Amerikaanse en Britse marine hun schepen zo dicht mogelijk bij de kust, waarbij een aantal werkelijk over de zeebodem schuurde, waarna ze hun 12cm-kanonnen op de heuvels en kliffen richtten. Maar waarop moesten ze schieten? Slechts een handjevol mannen dat langs de zeewering voor zijn leven vocht had radio's om de salvo's vanaf de schepen te dirigeren. Niettemin openden de oorlogsschepen het vuur. Op een gegeven moment moesten wan­hopige soldaten vlagsignalen gebruiken om het zware spervuur op hun strandsector te stoppen. Maar voor de meeste mannen, zoals Bob Slaughter, waren de bombardementen een opkikker die hard nodig was om het moreel hoog te houden.
Sinds hij aan wal was gegaan, had Slaughter ineengehurkt achter de zeewering gezeten. Plotseling zag hij verschillende officieren zijn kant op komen. Slaughter herkende Canham, met zijn arm in een mitella en een Colt .45 in zijn onbeschadigde hand.
'Ze maken ons in hier!' schreeuwde Canham. 'Laten we landin­waarts gaan, dan kunnen ze ons daar inmaken!'
'Wie is die klootzak in godsnaam?' vroeg een soldaat.
Tedere Stonewaller zou het antwoord voor het einde van de dag weten, want Canham leek overal rond te zwerven. 'Tijdens de training zou hij neergeknald zijn,' herinnerde Russell Pickett van Compagnie A zich. 'Maar zodra de strijd was begonnen, toonde hij zich een waar sol­daat.' Er zijn maar weinig veteranen die zullen aanvechten dat Canham de meest opzienbarende regimentscommandant van D-Day was.
Brigadegeneraal Norman Cota was al even moedig en vormde een bron van inspiratie. Hij gaf mannen hoop, ook al was die er niet. Som­migen vonden de wilskracht om door te vechten eenvoudigweg door naar hem te kijken, zo uitdagend als hij rondstapte, met rechte rug, kauwend op zijn onaangestoken sigaar en deuntjes murmelend als hij niet bezig was de Duitsers te vervloeken.
Hal Baumgarten zou nooit meer vergeten hoe Cota's magere gestalte die ochtend op hem afkwam. Het was alsof hij onsterfelijk was; vanaf het begin waren officieren als eerste door scherpschutters neer­geknald. 'Hij kwam vanuit het westen met een majoor, had een pistool in zijn hand en de jongens riepen allemaal dat hij plat moest gaan. Hij had veel weg van de acteur Robert Mitchum met zijn scheve wenk­brauwen. Hij was erg, erg moedig.'
Overal op Dog Beach keken anderen toe, terwijl Cota zich van de ene naar de andere groep verplaatste en de Rangers aanspoorde om als eerste het strand te verlaten. Geïnspireerd door Cota begonnen de officieren hun mannen te organiseren om op te kunnen rukken.
Cota had een stuk zeewering ontdekt met zo'n vijf meter daarach­ter een lage hoop aarde. Hij gaf een Ranger het bevel om een Brow­ning automatisch geweer op de kleine heuvel te richten. Vervolgens kroop hij achter de man aan en beval hem om voor dekking te zorgen. Daarna regelde Cota dat er een opening werd geblazen in de brede haag van prikkeldraad die langs het uiteinde van een drie meter brede promenade aan de andere kant van de zeewering was aangebracht.   Rook van brandend gras onttrok het strand deels aan het zicht. Cota maakte van de gelegenheid gebruik om zich te verplaatsen, terwijl het zicht van 'de Duitse schutters werd gehinderd.    'Rangers, leid de weg!'
De eerste man die door de opening rende, werd neergehaald door een MG-42.
'Hospik,' schreeuwde hij. 'Hospik, ik ben geraakt. Help me.'
Een paar minuten later begon hij onophoudelijk 'mama' te snikken en toen stierf hij.
Verscheidene mannen die Cota vergezelden werden opnieuw ver­lamd door doodsangst. Cota nam wederom het voortouw en stormde door de opening. Zijn manschappen volgden hem over de promenade, door de opening in het prikkeldraad, naar een moerassige weide. Cota, zijn aide de camp Shea en verschillende secties wrongen zich door de ondiepe loopgraven en bereikten uiteindelijk de voet van de kliffen bij Vierville.
'Een enkele rij manschappen, bestaande uit schutters van het 1ste  bataljon van het 116de Infanterieregiment, Rangers en enkele leden van het 82ste Chemische Mortierenbataljon (bewapend met karabijnen) beklommen vervolgens de heuvels, diagonaal en rechts houdend,' schreef Shea later. 'Ze bereikten de top tot op een punt zo'n 100 meter ten westen van een kleine betonnen fundering (duidelijk van een zomerhuisje) die op ongeveer 25 meter onder de heuveltop lag. Tij­dens de klim werden een paar mijnen tot ontploffing gebracht, maar het waren er niet veel.'
Het was inmiddels ongeveer 9:00 uur. Canham had de eerste com­mandopost van de 29ste Divisie ingericht aan de voet van de heuvels. Hij probeerde contact te leggen met de 1ste  Divisie op de oostelijke helft van Omaha Beach, maar dat mislukte. Plotsklaps werd de com­mandopost geraakt door enkele zeer nauwkeurige gerichte mortierschoten. De mortieren veroorzaakten de dood van twee mannen die slechts op een meter afstand van Cota stonden, en ook zijn radiobediende raakte zwaargewond, doordat hij negen meter tegen de berg op werd geslingerd. Cota's aide de camp, luitenant Shea, werd bijna 25 meter bergafwaarts geblazen maar raakte slechts licht gewond.
Cota zette zijn klim voort en spoorde ook zijn mannen aan. Maar weer was er oponthoud, deze keer vlak onder de heuveltop. Iemand schreeuwde dat ze naar beneden moesten kijken. Een eenzame Ameri­kaanse schutter liep over de promenade. 'Voor hem liepen vijf Duitse gevangenen die waren ontwapend en hun handen boven hun hoofd hielden. Aangezien het de eerste Duitsers waren die de mannen te zien kregen, wekten ze veel belangstelling.'
Een MG-42 gromde. Twee gevangenen werden geveld. De Ame­rikaan dook op de zeewering af. Twee andere gevangenen vielen op hun knieën, alsof ze de Duitse soldaat met het machinegeweer smeek­ten om hen te sparen. 'Het daaropvolgende schot raakte de eerste knie­lende Duitser vol in de borstkas,' herinnerde Shea zich, 'en terwijl hij ineenstortte, zochten de andere twee dekking achter de zeewering, naast hun overmeesteraar.'
Cota wist de top van de heuvels eindelijk te bereiken. Een andere mitrailleur werd afgevuurd vanuit een heg zo'n driehonderd meter landinwaarts aan de overkant van een vlak stuk land. De mannen doken ineen, net onder de heuveltop. Cota vroeg wie het bevel voerde. Nie­mand antwoordde. 'Ondanks de beschietingen,' meldde Shea, 'liep Cota tussen de mannen door en leidde de aanval over het veld per­soonlijk, waarbij hij hun opdroeg om tijdens de opmars voortdurend op de heggen te schieten... Het mitrailleurvuur hield op zodra de man­schappen zich door het veld die kant uit bewogen.'
Cota leidde zijn mannen vervolgens langs de omtrek van het veld, de heg gebruikend als dekking, tot hij een smal landweggetje bereikte op zo'n zeshonderd meter van Vierville-sur-Mer. Terwijl hij via dit weggetje oprukte, zag Cota andere overlevenden van het 1ste  bataljon van het 116de en Rangers die ook vechtend het strand hadden weten te verlaten. Er was minimale tegenstand toen Cota en de andere mannen het dorpje Vierville-sur-Mer binnentrokken en vervolgens doorliepen naar de kruising in het centrum van het dorp, waar Rov Stevens ver­ondersteld werd zijn broer Ray te ontmoeten. Bij dit kruispunt, zo tegen het middaguur, troffen Cota en kolonel Canham elkaar weer.
De overlevenden van het 1ste Bataljon zouden verder oprukken Haar het westen om de Rangers bij te staan die die ochtend de opdracht hadden om geschutsposities boven op de kliffen van Pointe du Hoc, aan het uiteinde van Omaha Beach, uit te schakelen. Het was verder van groot belang om, voor de Duitsers een tegenaanval inzetten, de D-1 uitvalsweg open te leggen zodat voertuigen en manschappen land­inwaarts konden trekken en een bruggenhoofd konden bouwen. Cota formeerde een verkenningspatrouille bestaande uit drie officieren en twee gewone soldaten en ging op weg naar de D-1 uitvalsweg. Het tij leek eindelijk ten gunste van de Amerikanen te keren. Inmiddels waren ook andere groepen door de verdedigingswerken op het strand gebroken en trokken ze al vechtend door de heuvels over de gehele lengte van Dog Green en andere sectoren van Omaha Beach. Hal Baumgarten voegde zich bij elf andere mannen, van wie het merendeel gewoond was. Ze haastten zich door een loopgraaf halver­wege de Vierville-heuvels, waar ze over dode Duitsers moesten stap­pen. Van een van hen was het hoofd eraf geblazen. Baumgarten vroeg zich af of het de man was op wie hij eerder die ochtend had geschoten. l  Een machinegeweer ratelde in een strandhuisje vlakbij. Ondanks zijn wonden voelde Baumgarten zich 'opmerkelijk sterk'. De adrenaline gierde door zijn lichaam. Hij kreeg een Duitser in de gaten, legde aan en vuurde. Het was pas de tweede keer die dag dat hij dat deed. Een kleine roodharige soldaat gooide er een granaat achteraan en het machinegeweer zweeg. Baumgartens groep bestond nu nog uit acht man. De hele middag zou Baumgarten, samen met andere overleven­den van Compagnie A en B, doorvechten. Tegen vijf uur die middag zou zijn groepje nog zeven man tellen en had het minstens nog eens tien Duitsers gedood.
Steeds meer soldaten wisten Dog Beach te verlaten en landin­waarts te trekken. Kapitein Robert Walker van het hoofdkwartier van het 116de Infanterieregiment was rond 7:30 uur naar de kust gezwom­men. Tegen 12:30 uur was hij 'zo halverwege de top' van de heuvels. 'Ik rustte even uit in een kleine greppel,' herinnerde hij zich. 'Na een poosje hoorde ik het geluid van iemand dichtbij, die kreunde en om hulp riep. Het was zo'n vijf, zes meter bij me vandaan. Behoedzaam ging ik op onderzoek uit en trof een Duitse soldaat aan, die ernstig gewond was aan zijn lies. Hij was al behandeld door een hulpverlener. Er zat een verband, besprenkeld met sulfapoeder, losjes om de wond. Hijgend bracht hij uit: 'Wasser, 'wasser - Duits voor "water".
Ik veronderstelde dat hij een sulfatablet toegediend had gekregen, waarvan je erge dorst krijgt. In het Duits vertelde ik de man dat ik geen water bij me had en niet wist waar ik het moest halen. Hij vertelde daarop dat er een bron was. Hij noemde het ein born, zo'n vijftien meter verderop. Ik geloofde hem niet, maar ik bewoog me niettemin in de richting die hij had aangegeven. Verbluffend genoeg was er inderdaad een bron, een soort van waterpoel met ogenschijnlijk helder water. Ik vulde mijn helm met water en bracht dat naar hem toe. Nadat hij gretig had gedronken, bedankte hij me uitvoerig. Ik liet wat water bij hem achter in zijn veldfles. Zijn gekreun werd geleidelijk zwakker en hij stierf niet lang daarna.'
Twintig kilometer verderop, op zee, gingen John Barnes, Roy Ste­vens en andere overlevenden van hun landingsvaartuig aan boord van de Evnpire Javelin. De meesten waren vrijwel naakt onder de dekens. Sommigen waren zelfs hun identiteitsplaatje kwijt. De shock had plaatsgemaakt voor verdovende uitputting. Ze snakten naar slaap, maar slapen lukte niet. De slag op Omaha Beach woedde nog in alle hevig­heid.
Op de Empire Javelin was het ontmoedigend stil. Slechts enkele uren eerder wemelde het op de verschillende dekken van de gespannen soldaten. John Barnes had zijn portefeuille weten te redden uit zijn doorweekte uitrusting. Hij haalde zijn invasiegeld eruit, legde de bil­jetten op een bed te drogen en ging toen aan dek. Een tijdje later keerde hij terug naar de kooi om te gaan rusten. Het geld was verdwenen.   Verscheidene mannen wilden zich opnieuw bewapenen en met het eerstvolgende landingsvaartuig terug naar het strand. Ze kregen te  horen dat dit onmogelijk was. De overgebleven LCA's konden niet  meer verder ingezet worden op D-Day. De meeste waren zwaar beschadigd en gingen schuil onder een laag gestold bloed en braaksel. De vloot moest terugkeren naar Engeland voor belangrijke reparaties. En trouwens, de mannen waren veel te vermoeid om nog effectief te kunnen vechten. 'We moesten aan boord blijven, terug naar Engeland, onszelf herbewapenen en terugkeren naar de rest van de compagnie,'  wist John Barnes te vertellen. 'Gearing had een reservegeweer weten te  bemachtigen en verkondigde dat hij met een passerend Amerikaans  vaartuig zou meeliften. Hij beval ons bij elkaar te blijven en droeg het  bevel over aan sergeant Stevens, onze leider zonder officiersaanstelling. Het leed geen twijfel dat Stevens ons zou helpen terug te keren, aangezien hij zich zorgen maakte om zijn broer Ray.'
Roy Stevens, Charles Fizer, Harold Wilkes en Clyde Powers, alle­maal afkomstig uit Bedford, hoorden een constant spervuur, dat voor­al intensief was tussen 12:00 en 13:00 uur 's middags, toen verschillen­de Amerikaanse en Britse torpedobootjagers, die nu werden gedirigeerd door waarnemers op de wal, de bunker en loopgraven rond de D-1 uitvalsweg hevig onder vuur namen.
De explosies deden diverse mannen in Cota's patrouille op de grond belanden. 'De klap die de uitbarstingen van deze kanonnen ver­oorzaakte, leek het wegdek van de straten in Vierville werkelijk onder onze voeten op te tillen,' herinnerde luitenant Shea zich.   'Ik hoop in vredesnaam dat ze eens ophouden met die beschietin­gen,' verzuchtte een van Cota's mannen.
De batterijen van het oorlogsschip Texas vuurden telkens vier sal­vo's van vier schoten elk af. Collega-torpedobootjager McCook zond vervolgens via de radio het bericht naar het strand dat de Duitsers de bunker aan de voet van de uitgang en andere stellingen ontvluchtten.
Toen Cota en zijn patrouille de uitvalsweg van het strand vanaf Vierville betraden, stopten de beschietingen van de marine. De rook steeg op, waardoor een weg bedekt met betonstof en gehuld in bitter smakende cordietwalmen in het zicht kwam. De weg leidde naar het onderliggende Dog Beach.
'Die schietpartij heeft ze waarschijnlijk teruggedreven in hun holen,' waarschuwde Cota. 'Maar houd die kliffen daar rechts scherp in de gaten.'
Ze volgden de weg naar beneden. 'Er werd een paar maal met kleinere wapens op de patrouille geschoten, maar een twaalftal kara­bijn- en pistoolschoten was voldoende om de vijf Duitsers uit de spe­lonken van de oostelijke bergwand langs de strandweg te drijven,' her­innerde Shea zich. 'Ze werden ontwapend toen ze bij de weg kwamen en voor de patrouille uit gedreven, terwijl deze verder marcheerde naar het strand.'
De Duitsers leidden de weg door een mijnenveld in de buurt van de stranduitvalsweg en vervolgens betraden Cota en zijn patrouille Omaha Beach.
Vlak bij het begin van de strandweg en een eerstehulppost op Dog Beach bevonden zich een groepje Rangers en enkele tientallen zwaar­gewonden en doodvermoeide overlevenden van Compagnie A en B. Onder de gewonden waren enkele Bedford boys, onder wie Dickie Overstreet, Anthony Thurman, luitenant Ray Nance en de 116 Yankee-honkbalspeler Tbny Marsico.
Stafsergeant Anthony Thurman was geraakt in zijn arm en zijn schouder: zijn zenuwen waren aan flarden geschoten. Hij zou nooit meer volledig herstellen van het psychologische trauma dat D-Day had veroorzaakt. Sergeant Marsico was in zijn been geraakt en een kogel was dwars door zijn arm gevlogen toen hij het strand overstak. 'Ik dacht dat het er behoorlijk heftig aan toe zou gaan tijdens de invasie, maar ik wist niet dat het zo erg zou zijn,' herinnerde Marsico zich, die weldra geëvacueerd zou worden naar een ziekenhuis in Engeland, net als zijn kameraden uit Bedford die het ook hadden overleefd. 'Ik ben geen held, dat weet ik. De helden zijn degenen die het niet hebben gehaald.'
Er was nog een laatste obstakel dat de uitvalsweg over het strand naar Vierville blokkeerde: een antitank muur aan de voet van de uitvalsweg. Een geniesoldaat plaatste er een lading TNT naast en de muur werd rond 13:30 uur opgeblazen. Daarna rukten de Rangers op via de strandweg en begonnen ze de laatste verzetshaarden van Duit­sers in de heuvels op te ruimen.
Ten koste van enorme verliezen hadden het 116de Infanterieregiment en de Rangers de D-1 uitvalsweg veroverd. De uitdaging zou zijn om hem in handen te houden. Cota, die de vorderingen op het andere uiteinde van het aan de 29ste Divisie toegekende stuk strand wilde aan­schouwen, wandelde over de promenade naar het volgende dorpje ten oosten van Vierville, Les Moulins.
Later die middag, nadat Vierville was ingenomen, begonnen de manschappen terug te keren naar het strand voor medische hulp. De 27-jarige soldaat Warner 'Buster' Hamlett van Compagnie F wist al strompelend het strand te bereiken. 'Er lagen duizenden lijken. Je kon over de lichamen lopen, zo ver je over het strand kon kijken, zonder de grond daadwerkelijk aan te raken. Lichaamsdelen - hoofden, benen en armen - dreven in zee. Artsen en andere medische hulpverleners liepen op en neer, de gewonden behandelend. Toen ik me voorzichtig tussen mijn Amerikaanse kameraden begaf, besefte ik pas wat het inhield om mee te gaan in de eerste aanvalsgolf.'
Luitenant Ray Nance lag bij een eerstehulppost op het strand. Een sergeant had hem die ochtend enkele honderden meters langs de zeewering op zijn schouder meegedragen. 'Laat die middag,' herinnerde Nance zich, 'kwam tweede luitenant Gearing alleen aan wal... Hij  kwam naar me toe en ik vertelde hem wat ik wist. Ik zei: "Hé, volgens mij ben jij het nu: compagnieaanvoerder." Ik heb nog nooit zo veel  medelijden met iemand gehad als met hem, toen hij vertrok. Hij wist  niet wat hem te wachten stond.' Gearing was de enige officier van  Compagnie A die niet was gesneuveld of gewond geraakt. Van de vijf  officieren in Nance' stapelbed op de Empire Javelin diezelfde ochtend  waren alleen Nance en Gearing nog in leven.
Om 19:00 uur ontdekte Nance een andere bekende: generaal Gerhardt, commandant van de 29ste Divisie. Hij zag er even onberispelijk jen zelfverzekerd uit als altijd toen hij aan wal ging, met twee glim­mende revolvers om zijn middel. Tegen het invallen van de avond zou  Gerhardt een commandopost hebben ingericht in een steengroeve  nabij de Vierville-uitvalsweg.
Voor Hal Baumgarten was de strijd echter nog niet voorbij. Tegen de avond was hij helemaal doorgedrongen tot de heuveltoppen, op weg naar een dorpje ten westen van Vierville, Maissey Ie Grand geheten. Terwijl Baumgarten over een landweggetje sloop, trapte hij op een zogenaamde castratiemijn. Een kogel schoot dwars door zijn voet.
'Toen ik mijn schoen omdraaide, spoot het bloed eruit als water uit een kan,' herinnerde Baumgarten zich. 'Gebruikmakend van mijn eerstehulpdoos, strooide ik er sulfapoeder op en verbond ik mijn voet, waarin een duidelijk gat zat.' Plotseling kwam Baumgarten onder zwaar granaatvuur te liggen. Hij rukte het verband eraf, duwde zijn voet terug in zijn laars en dook weg achter een heg. Daar bleef hij samen met zeven andere soldaten zitten tot de duisternis inviel, waar­na ze de weg overstaken op zoek naar een nieuwe schuilplek. Het Duit­se granaatvuur was nauwkeuriger geworden: Baumgarten vermoedde dat iemand hen had ontdekt.
Terwijl Baumgarten met zijn groepje voorwaarts bewoog, begon een MG-42 te ratelen die ieder van hen raakte. 'Ik werd door mijn lin­ker liphelft geschoten en raakte een deel van mijn rechter bovenkaak, tanden en tandvlees kwijt.' In de buurt schreeuwde een van de mannen:
'Jezus, help me!' De anderen kreunden van de pijn. Baumgarten ver­loor zich in een 'hallucinaire droomtoestand';
Ik zag een doos met lekkers van mijn moeder voor me die ik in Kamp D-1 opende. De zelfgebakken koekjes, cake en salami deelde ik met mijn maten van Compagnie A. Ze roosterden de met groene schimmel bedekte salami (het resultaat van een lange zeereis vanuit de Verenigde Staten), die ze in stukken aan hun bajonet hadden geregen, hoven een open vuur.
Terug op Dog Beach zag Thomas Valance - een van de weinige over­levenden uit de boot van sergeant-majoor John Wilkes - hoe de duisternis tegen 23:00 uur inviel. Hij was op een brancard gelegd, op een open plek omringd door prikkeldraad. Enige tijd na het invallen van de duisternis droegen soldaten van de medische dienst hem naar een LST (landingsschip) die afgeladen was met gewonden en medische noodvoorzieningen. Hij was op weg terug naar Engeland. Na drie maanden in uiteenlopende ziekenhuizen zou hij terugkeren naar Normandië en vervolgens verder vechten in Duitsland voordat hij in december 1945 terugkeerde naar Amerika.
'Ik heb me door de jaren heen over één ding verwonderd,' schreef Valance op Veteranendag 1987, 'en dat is waarom wij, Compagnie A van het 1ste Bataljon, het 116de Infanterieregiment van de 29ste Divisie, werden uitgekozen om het Amerikaanse equivalent te zijn van de Duit­se stormtroepen. Was het omdat we zoveel potentieel hadden? We hadden geen gevechtservaring en de andere troepen die in onze buurt opereerden, zoals de 1ste  Divisie, waren grondig getraind. Of was het 'puur omdat we als vervangbaar werden beschouwd?'
Uiteindelijk liep de langste dag ten einde. Er waren naar schatting 2500 slachtoffers gevallen op Omaha Beach en ongeveer een tiende van dat aantal op Utah, het andere 'Amerikaanse' strand. Het totaal aantal slachtoffers - dood en gewond - binnen de gehele Geallieerde Strijdkrachten lag rond 10.000, een verlies van 10 procent op een totaal van 100.000 manschappen die inmiddels in Normandië waren aangekomen, en veel minder dan de 25 procent die de generaals van de Geal­lieerden hadden voorspeld met betrekking tot de infanterie.
Overal langs de heuvels en heggen die zovelen het leven hadden "gekost, groeven mannen van het 116de Infanterieregiment zich in voor de nacht. De meeste mannen hadden al meer dan twee dagen slecht geslapen. Velen hadden amper de kracht om ondiepe schuttersputjes te graven. 'We begonnen een schuttersput te graven,' herinnerde een sol­daat zich, 'maar de grond was keihard en we waren allebei totaal uit­geput tegen de tjjd dat het gat zo'n 8 cm diep was. Uiteindelijk, terwijl  we daar stonden in het donker en beseften dat het zinloos was om zo  verder te gaan, zei mijn sergeant: 'Krijg de kolere. We gaan gewoon liggen en proberen wat rust te krijgen.' En zo kwam D-Day ten einde, waarna wij rug aan rug in een ondiepe loopgraaf de nacht doorbrach­ten.'
Ergens rond middernacht werd Hal Baumgarten wakker op de weg boven de heuvels van Omaha Beach en zag Duitse gevechtsvliegtuigen overvliegen. Alle mannen van zijn groepje waren bezweken aan hun verwondingen. Baumgarten had het gevoel dat hij stervende was. Hij had weinig pijn: niet meer dan een koude klamheid en een ver­doofd gevoel in zijn hele lichaam. Om de kwelling van vier wonden, opgelopen binnen twintig uur, te verdragen injecteerde hij zichzelf voortdurend met morfine. Om uitdroging te voorkomen dronk hij uit de veldflessen van zijn dode kameraden.
Bob Slaughter van Compagnie D zag dezelfde verlate aanval door de Luftwaffe. 'Een vijandelijk ME-109 vliegtuig vloog over de hele ge­allieerde vloot, van links naar rechts, over de versperringsballonnen heen. Elk schip in Het Kanaal opende het vuur op dat ene vliegtuig, de hemel verlichtend met miljoenen lichtspoorkogels. De heroïsche Luftwaffe piloot trotseerde ze allemaal, deed zelfs geen poging ze te ont­wijken. Ik vroeg me af hoe hij ooit door dat gordijn van vuur heen is gekomen.'
Bob Sales van Compagnie B en verschillende uitgeputte mannen uit Virginia zochten een plekje om wat broodnodige slaap te krijgen. 'Het was erg koud,' herinnerde Sales zich. 'Ik had nooit kunnen dro­men dat het in juni zo koud kon zijn in Frankrijk. Daarom ruilde ik bij een oude vrouw wat proviand voor een deken en sliep ik met mijn wapen vlak naast me, rug aan rug met een andere vent. Ik werd plotse­ling wakker en dacht dat het Bob Slaughter was die me wakker pro­beerde te porren, maar hij verroerde zich niet. Het was de oude Fran­se vrouw die haar deken terug probeerde te stelen. Ik richtte mijn geweer op haar en ze rende weg.'
Rond 3:00 uur 's nachts tilden twee hulpverleners Hal Baumgarten in een ambulance. Zijn uniform droop van het bloed van collega-Stonewallers, mannen die 'alles gaven en nooit beloond zouden wor­den voor hun moed.' De ambulance bracht Baumgarten naar Dog Beach, waar hij op een brancard werd gelegd naast andere gewonden.
Ongelooflijk genoeg was de strijd nog niet over voor Baumgarten en de mannen om hem heen. 'Terwijl ik op een brancard op het strand lag, zo rond 10:00 uur op 7 juni 's ochtends, schoot een scherpschutter een van de hulpverleners dwars door zijn rode kruis heen. Vervolgens schoot hij mij in de rechterknie en begon hij alle gewonden om me heen te beschieten. Het volgende schot zou door mijn hoofd zijn gegaan. Maar de torpedobootjager McCook voor de kust trof de scherp­schutter voor deze de kans kreeg mij te vermoorden.'
Baumgartens langste dag was eindelijk voorbij. Maar voor het handjevol dat ongeschonden uit de strijd was gekomen, begon de nachtmerrie in Normandië nog maar net.

Comments (0)

There are no comments posted here yet

Leave your comments

Posting comment as a guest.
Attachments (0 / 3)
Share Your Location

Gedichten van Sjoerd Feenstra...

Interview (filmpje en tekst) door de Flevopost...

Drontenaar Fred Vogels in greep van oorlog...

Vliegtuigcrash in Baak, 1943...

Schieten de stichtingen Ongeland en 4 Mei Herdenki...

Ophef rond Airgunnersexpositie...

Oorlogsmuziek uit de computer...

Lancaster (PA474 HW-R) een van de 2 vliegende Lanc...

Jongeren herbeleven Market Garden, een ongelooflij...

Iedereen kan nu zien hoe de bevrijding aan hen is ...

Er reed een trein naar Sobibor...

Eerbetoon aan een geallieerde vliegenier...

Een verrassend slot aan de berging van de Wellingt...

Een postume onderscheiding van generaal Sosabowski...

Cecil Breeden en de Bedford Boys...

Arrogantie van Nederlanders in Arromanches...

Feedback